Blog
De ring onder water
Als student was ik gefascineerd door Tolkien, en vooral door de filosofische thema's die onder zijn verhalen liggen. Wat doet macht met wie haar draagt? Waarom is juist wie het goed bedoelt er zo kwetsbaar voor? Deze week kwamen die vragen weer boven, bij een nieuwsbericht over een Franse raket.
Finistère
Op dinsdag 6 oktober brak voor de kust van Finistère iets door het water dat daar niet thuishoort. Twaalf meter hoog, ruim vijftig ton, een paar seconden zichtbaar boven de Atlantische Oceaan en dan weg, de hemel in. De Franse kernonderzeeër Le Vigilant had voor het eerst een M51.3 afgevuurd vanaf een duikboot. Zonder kernkop, uiteraard. Het meetschip Monge volgde de vlucht tot de raket neerkwam in de Noord-Atlantische Oceaan, honderden kilometers van elke kust. In het communiqué heet zoiets een acceptatietest: het schip komt uit drie jaar onderhoud en moet tonen dat het nog kan wat het moet kunnen.
Ik bleef haken aan iets anders. Aan een zin.
Zeven maanden eerder stond Emmanuel Macron op Île Longue, de basis waar die onderzeeërs thuishoren. “Om vrij te zijn, moet je gevreesd worden,” zei hij. “En om gevreesd te worden, moet je machtig zijn.” Hij gaf er zelf bij toe dat hij het al vaker had gezegd. Die dag kondigde hij meer kernkoppen aan, en hij voegde eraan toe dat Frankrijk voortaan niet meer meedeelt hoeveel het er heeft.
Ik denk niet dat hij ongelijk heeft. Dat is precies wat me dwarszit.
Een kernwapen werkt alleen zolang het niet gebruikt wordt. De tegenstander moet geloven dat het bestaat, dat het werkt, en dat het er nog is nadat hij zelf heeft toegeslagen. Daarom ligt een deel van het Franse arsenaal onder water. Een stad staat op de kaart en een vliegbasis ook. Een onderzeeër niet. Ergens in miljoenen vierkante kilometers oceaan vaart een schip waarvan de plaats geheim is, en haar hele macht bestaat uit die afwezigheid. Niemand hoeft haar ooit te zien. Het volstaat te weten dat ze er is.
Onzichtbaar zijn en toch kunnen treffen. Dat verhaal is ouder dan de bom, en ook veel ouder dan Tolkien.
Gyges
Plato vertelt het in De Staat. Een herder vindt na een aardbeving een gouden ring in een kloof. Draait hij de steen naar binnen, dan wordt hij onzichtbaar. Hij verleidt de koningin, doodt de koning en neemt de troon van Lydië. Glaucon, die het verhaal opdist, wil er Socrates mee in het nauw drijven: geef die ring aan een rechtvaardig man en hij doet precies hetzelfde. Wie niet gezien kan worden, heeft geen reden meer om rechtvaardig te zijn.
Het is de oudste vorm van de vraag: blijft iemand fatsoenlijk wanneer er geen gevolgen meer zijn? Een kernonderzeeër is in één opzicht het omgekeerde van die ring. Afschrikking belooft niemand straffeloosheid; ze werkt net omdat iedereen weet dat op een aanval een antwoord volgt. Maar de helft van Gyges zit er wel in. De ander kan mij niet vinden, en ik kan hem treffen. De regel die tussen ons geldt, is niet meer in beide richtingen dezelfde.
Ook de Ring van Tolkien maakt zijn drager onzichtbaar, maar Tolkien stelt een moeilijkere vraag. Plato test of een mens zonder toezicht goed blijft. Tolkien wil weten wat er gebeurt met iemand die wél goed is.
Boromir
Het knapste aan het boek vind ik dat de Ring bijna niemand een nieuw verlangen hoeft aan te praten. Boromir wil Gondor redden, de stad waar hij is opgegroeid en die hij ziet doodbloeden. Gandalf wil beschermen wie zwak is, en weigert de Ring daarom wanneer Frodo hem aanbiedt. Galadriel wil bewaren wat mooi is en schrikt van wat ze zichzelf een ogenblik ziet worden. Geen van hen droomt van heersen. Ze dromen van een wereld waarin het goede eindelijk eens niet verliest.
Een schurk met een wapen is geen raadsel. Het raadsel is de fatsoenlijke mens die ontdekt dat een verschrikkelijk wapen iets zou kunnen redden waar hij van houdt. Boromir begint bij de nood. De vijand is echt, de torens van Mordor staan er, zijn mannen sterven aan de rivier. Alles wat hij zegt klopt. En toch staat hij aan het eind van dat gesprek met uitgestoken handen voor een hobbit die half zo groot is als hij.
Wat hij onderschat, is niet het wapen maar zichzelf. Eerst wil hij Gondor redden. Dan wordt het denkbaar dat hij anderen mag dwingen, omdat hij Gondor redt. En wie hem daarna nog tegenhoudt, staat het goede in de weg. Macht hoeft een goed mens dus niet slecht te maken om hem te bederven. Het volstaat dat ze hem steeds minder reden geeft om aan zijn eigen idee van het goede te twijfelen.
Rusland is Mordor niet. Poetin is geen Sauron, en aan de overkant wonen mensen. Maar verzonnen is de dreiging evenmin. Er woedt in Oekraïne een oorlog die Moskou begonnen is. Een week voor de lancering liet Rusland de NAVO weten dat het zijn hele arsenaal zou inzetten, kernwapens inbegrepen, als iemand Kaliningrad probeert af te snijden. Wie in zo'n wereld zegt dat hij machtig moet worden omdat de ander hem geen keus laat, kan dat volkomen oprecht menen.
Bij die oprechtheid zou Nietzsche zijn oren spitsen.
De vrijbrief
Of Rusland de aanleiding is voor de Franse herbewapening, zou Nietzsche nauwelijks een vraag vinden. Natuurlijk is het dat. Hem zou het ogenblik bezighouden waarop een aanleiding een vrijbrief wordt. Een oorzaak verklaart waarom iets gebeurt. Een rechtvaardiging vertelt ons dat we het onszelf mogen toestaan, en dat is een heel ander soort zin.
Zijn hele werk is één lang wantrouwen tegenover dat tweede. Als mensen over plicht spreken, wil hij weten welk verlangen onder dat woord schuilgaat. Dat is geen goedkoop cynisme, alsof moraal altijd een masker zou zijn. Het is erger. Wij kennen onze eigen motieven maar half, en macht hoeft zich dus niet eens te vermommen: van binnenuit kan ze volkomen eerlijk als plicht aanvoelen. Een president kan werkelijk geloven dat hij zijn burgers beschermt. Een volk kan werkelijk naar vrede verlangen. Uit precies die grondstoffen groeit een arsenaal.
Tolkien heeft daar een pijnlijk klein voorbeeld van. Sméagol wurgt zijn vriend om de Ring en herhaalt daarna, tot hij het zelf gelooft, dat het zijn verjaardagscadeau was. Eerst komt de daad, dan de theorie die haar moet dragen.
Propaganda moet een Mordor verzinnen. Een rechtvaardiging heeft dat niet nodig en wordt pas echt sterk wanneer Mordor er werkelijk ligt. Dan volstaat het om naar de toren aan de overkant te wijzen. Hij heeft er een, dus wij ook. De zijne is een dreiging, de onze een verdediging. Misschien klopt dat zelfs. Maar niemand in Tolkiens boek gelooft dat Sauron de Ring goed zou gebruiken. De verleiding luidt altijd dat wíj het beter zouden doen, omdat wij weten tegen wie hij gericht is.
Dostojevski schreef daar een hele roman over. Raskolnikov vermoordt een pandjeshoudster omdat hij heeft uitgerekend dat de wereld er beter van wordt, en ontdekt te laat dat zijn som vooral moest bewijzen dat hij boven gewone mensen stond.
Luister ook naar de woorden. Een raket heet een afschrikkingsmiddel, een groter arsenaal heet modernisering. De ander heeft een dreiging, wij hebben een capaciteit. Soms is dat verschil echt. Maar een woord kan ook wassen wat het benoemt, en ik word achterdochtig wanneer onze eigen macht alleen nog voorkomt in termen die haar onschuld al veronderstellen.
Een tekening doet hetzelfde, en ik weet hoe geruststellend tekeningen zijn. Op een scherm is een raket een lijn: vertrekpunt, baan, doel. De oorlog die erop volgt heeft geen doel meer. Hij bestaat uit vergelding, misverstanden, kapotte verbindingen en beslissingen die in minuten vallen. We zijn steeds nauwkeuriger geworden in hoe iets begint en steeds machtelozer over hoe het afloopt.
De tegenspreker
Hannah Arendt zat in 1961 in een rechtszaal in Jeruzalem en verwachtte een monster. Ze zag een ambtenaar. Wat haar aan Eichmann het meest verontrustte was geen haat en ook geen domheid. Zij noemde het gedachteloosheid: hij kon zijn eigen handelen niet meer bekijken vanuit iemand anders. Het zou grotesk zijn Macron in die rij te zetten, en dat doe ik niet. Arendt wordt pas bruikbaar wanneer je haar inzicht losmaakt van het uiterste geval waarin ze het vond.
Want de vraag die ze eraan overhield, gaat over ons allemaal. Wat beschermt een mens, of een staat, tegen zijn eigen zekerheid? Goede bedoelingen volstaan niet; die had Boromir ook. Verkiezingen evenmin, en intelligentie al helemaal niet. Arendt zocht het in het denken zelf, dat ze beschreef als een gesprek van twee stemmen in één hoofd. Zolang de tweede stem mag tegenspreken, is er een rem. Die stem zegt eigenlijk altijd hetzelfde: en als we ons vergissen?
Zodra Rusland alleen nog Mordor is, hoeft die stem niets meer te zeggen. Dan hoef je de tegenstander niet te begrijpen om hem te veroordelen, en wat hij zegt kun je wegleggen nog voor je het gelezen hebt. Daarmee is niets van de Russische agressie goedgepraat. Begrijpen is iets anders dan verontschuldigen, en wie dat onderscheid opgeeft, verliest vooral het zicht op zichzelf. Hij onderzoekt de moraal van de ander en laat de eigen moraal met rust. Dat is opnieuw zien zonder gezien te worden. Het is de Ring, maar dan in het geweten.
Onder de stad
Aeschylus heeft vijfentwintig eeuwen geleden opgeschreven hoe het afloopt wanneer iedereen alleen nog vanuit zijn eigen gelijk redeneert. Agamemnon offert zijn dochter voor gunstige wind. Klytaimnestra vermoordt hem daarvoor. Hun zoon Orestes doodt zijn moeder om zijn vader te wreken. Ieder van hen kan een graf aanwijzen, ieder heeft een reden, en net daarom houdt het niet vanzelf op.
Het houdt ook niet op doordat er eindelijk iemand komt die helemaal gelijk heeft. Athena roept burgers samen en laat hen stemmen. De stemmen staken, en de godin moet zelf de doorslag geven. Dat vind ik het mooiste van het hele stuk: de eerste rechtbank uit onze literatuur komt er niet uit. En de wraakgodinnen, die Orestes de hele weg hebben opgejaagd, worden niet verdreven. Ze krijgen een woonplaats onder de stad. Het geweld is er dus nog. Het ligt eronder, in bedwang gehouden door een procedure.
Een rechtbank is twijfel die een gebouw heeft gekregen. Ze beweert niet dat niemand de waarheid kent, alleen dat niemand er in zijn eentje over mag beschikken. Parlementen, rechters, oppositie, pers en verdragen zijn om dezelfde reden uitgevonden. Ze verhouden zich tot macht zoals een koelkring tot een reactor. En je hebt ze het hardst nodig op de dag dat ze het meest op zwakte lijken: wanneer de dreiging echt is, de vijand werkelijk iets onvergeeflijks heeft gedaan en handelen de enige fatsoenlijke keuze schijnt.
Hobbes maakte er later een theorie van: wij staan ons recht op eigen wraak af aan een macht boven ons, omdat anders iedereen zijn eigen geweld gerechtvaardigd vindt. Alleen staat er boven staten geen Athena. Tussen kernmachten bestaat geen rechtbank. Er zijn verdragen, en die zijn de voorbije jaren een na een opgezegd of verlopen. Wat daar aan rem overblijft, moet een staat in zichzelf vinden.
De vinger
Om vrij te zijn, moet je gevreesd worden. Binnen de logica van de afschrikking heeft Macron wellicht gelijk; ik zou niet weten hoe ik hem moest weerleggen. Wat ik vrees is de dag waarop die zin niet meer vreemd klinkt. Want hij ís vreemd. Vrij zijn omdat een ander bang voor je is. Vrede bewaren door vernietiging geloofwaardig te houden. Wapens bouwen die alleen deugen zolang ze nooit vertrekken.
Ik denk niet dat zulke paradoxen op te lossen zijn. Volwassen politiek bestaat er misschien in ze niet te vergeten: de zin te blijven uitspreken en er elke keer even van te schrikken.
Tolkien laat de Ring aan het eind vernietigen, en zelfs dat lukt alleen per ongeluk. Frodo, de zachtmoedigste van allemaal, staat aan de rand van het vuur en kan hem niet loslaten. Er is een ander voor nodig, en een afgebeten vinger. Sauron verdwijnt daarna. De gedachte dat wij de Ring beter zouden dragen verdwijnt niet, en evenmin de neiging om de kaart te verdelen in Mordor en de rest.
Wat er dinsdag uit het water kwam, baart me daarom minder zorgen dan wat er ongemerkt in kan verdwijnen. Een zinnetje van vier woorden: misschien hebben wij ongelijk.
Een staat mag macht verzamelen. Soms moet hij, want soms bestaat de vijand echt. Het kantelpunt komt later, op het ogenblik waarop het bestaan van Mordor volstaat als bewijs voor de goedheid van alles wat wij ertegenover zetten. Dan is de Ring veilig verklaard omdat hij aan onze vinger zit. En dan vraagt niemand nog waarom net wij zo zeker weten dat we hem kunnen dragen.